maandag 30 juli 2012

Wat doen die duetten daar?

Vrijdagavond 27 juli 2012, Jacobikerk Utrecht. Theo Jellema geeft een orgelconcert en vertelt in de toelichting vooraf iets over stukken die hij zal spelen. Op het programma staan de vier duetten uit de Clavierübung III (BWV 802-805). Het is nog niet echt duidelijk wat die vier duetten daar precies doen, aldus Theo. En zo’n vraag laat me dan niet los.
Vorig jaar raakte ik door het concert van Toon Hagen in Zwolle al in de ban van deze bijzondere collectie muziek van Bach. Ik kocht toen het boek van Albert Clement “Der dritte Teil der Clavierübung van Johann Sebastiaan Bach – Musik, Text, Theologie” en uiteraard de bladmuziek. Deze vraag over de duetten was een goede aanleiding om nu eens echt het boek te gaan lezen.


Bach als theoloog
Het gegeven van Bach als theoloog boeit me al langer. In juni van dit jaar was ik in Leipzig en heb me daar verdiept in de boekenlijst die in de nalatenschap van Bach werd beschreven. Hij was zeer belezen op theologisch gebied en bezat voor die tijd veel boeken, waaronder de bijbelcommentaren van Calov en de volledige werken van Luther (in twee edities). Daarnaast diverse theologische werken van o.a. de orthodoxe theologen August Pfeiffer en Heinrich Müller (hoogleraar uit Rostock). Clement maakt in zijn boek melding van de vondst van de Duitse theologe Elke Axmacher, die ontdekte dat een belangrijk deel van de teksten van Picander in de Matthäus-Passion gebaseerd zijn op passiepreken van Müller.
Bach was dus zeer geïnspireerd door de werken van Luther. Met de uitgave (in eigen beheer) van de Clavierübung III past Bach een soortgelijk uitgeefconcept toe als Luther deed: dezelfde boodschap vormgeven voor verschillende doelgroepen. Luther schreef een Kleiner Katechismus voor gebruik in huis en op school en een Grosser Katechismus als richtsnoer voor predikanten en gebruik in de kerk. Het lijkt erop dat Bach ook zo gewerkt heeft met de zes catechismusliederen in de Clavierübung: van elk lied is er een moeilijke versie (met pedaal, voor orgel) en een eenvoudiger versie (manuaal, voor bijv. een klavecimbel).

Maar nu over de duetten
Clement begint zijn hoofdstuk over de vier duetten met een inventarisatie van de eerder gegeven verklaringen door andere onderzoekers en weerlegt de meeste daarvan met argumenten, voordat hij zijn eigen verklaring geeft. Sinds de eerste helft van de vorige eeuw zijn er al vele verklaringen in omloop. Ik noem hier kort een aantal interessante versies die Clement uitgebreid behandelt.
Hermann Keller constateerde dat de vier duetten een eigenaardige set vormen waar Bach vast een speciale bedoeling mee had, maar die we nog niet ontcijferd hebben. Casper Honders verwijst naar een mogelijke relatie met de Haustafel van Luther (een bijlage in de Kleiner Katechismus waarin diverse uitspraken zijn opgenomen over heilige standen. Het is een soort huishoudelijk reglement, waaruit blijkt hoe ambten en diensten van verschillende mensen zich tot elkaar dienen te verhouden). Albert Schweitzer stelt dat de vier duetten er per ongeluk in terecht zijn gekomen. Maar voor een uitgave in eigen beheer is dat erg onwaarschijnlijk. Wilhelm Ehmann denkt dat ze bedoeld zijn als Avondmaalsmuziek, omdat ze direct na het Avondmaalskoraal Jesus Christus, unser Heiland komen. Hij typeerde de Clavierübung III volgens Clement ten onrechte als Orgelmis. Het idioom van de duetten wijst ook niet op kerkmuziek, maar meer op muziek voor huiselijk gebruik (bijv. voor klavecimbel). Rudolf Steglich houdt het op een verbeelding van de vier elementen van de grote wereld: hemel, lucht, water, aarde. Maar welk duet staat dan voor welk element? Keller voert ook nog aan dat het om een commercieel belang ging: de bundel verkoopt beter als er niet alleen werken voor orgel in staan, maar ook voor het toetsinstrument met snaren. Clement gaat ervan uit dat dit misschien wel heeft meegespeeld, maar zeker niet als hoofdargument. Klaus Ehricht zoekt de argumenten in de inhoudelijke kenmerken van de composities en ziet verwantschap met de koralen. Gerhard Friedemann en anderen hebben zich bezig gehouden met het vinden getalsmatige verklaringen, maar daarin komen fouten voor die de basis hiervan wel erg zwak maken, volgens Clement. John M. Ross denkt dat de vier duetten de vier evangelisten representeren. Maar ook hier geldt dan: welk duet staat voor welke evangelist? Robin A. Leaver zoekt een verklaring in de samenstelling van de bundel en vergelijkt die met de samenstelling van de Kleiner Katechismus van Luther: zes geloofsartikelen, vier gebeden. De vier duetten zouden dan vier gebeden voorstellen. Met de getalssymboliek, het tellen van het aantal maten, het toerekenen naar de Drie-eenheid of zelfs windrichtingen zijn velen aan de haal gegaan. Allemaal zonder te overtuigen, vindt Clement. David Humphreys stelt dat de duetten verwantschap vertonen met de vier richtlijnen die Luther geeft voor het leren van de catechismus. Maar die richtlijnen staan voorin het boekje, en niet aan het eind, zoals de duetten.

De hypothese van Clement 
Clement stelt dat Bach in al zijn werken zoveel heeft gedaan met tekstbehandeling in de muziek, dat het vrijwel uitgesloten is dat in deze duetten niet zou gelden. Helaas staat er geen titel boven, zoals bij de koralen, waardoor de brontekst niet goed te achterhalen is. Van het Preludium en de Fuga in Es is al bekend dat deze betrekking hebben op de Drie-eenheid. Vervolgens gaat Clement uitvoerig in op de opbouw van de Clavierübung III en volgt R. Birk en Markus Schiffner, die vooral kijken naar de clustering van de stukken. De samenstelling en ordening van de miskoralen (groep 1), de catechismuskoralen (groep 2) en de duetten (groep 3) valt dan op. De kyrie-stukken zijn in retrospectieve polyfone stijl, de gloria-stukken in concerterende trio’s. De zes katechismusliederen zijn weer onder te verdelen in twee groepen van elk drie stukken, met een plenumstuk in het midden. In de eerste groep omgeven door cantus firmus stukken in canon, in de tweede groep omgeven door cantus firmus in pedaal. De duetten lopen op in toonsoort (e-F-G-a), waarbij de duetten in grote terts zijn omsloten door die in kleine terts. Clement ziet hierin een kruisstructuur, die precies het tegenwicht biedt tegen de structuur van de kyries (in e) en gloria’s (in F-G-A). Vervolgens wijst hij op de aanwijzingen voor het gebruik: groep 1 is voor gebruik in de kerk, groep 2 voor in de kerk of thuis. Dan is het logisch groep 3 te bestemmen voor gebruik thuis. Daarna legt Clement een relatie met de werken van de theoloog Heinrich Müller, in het bijzonder met zijn werk Geistlichte Erquick-Stunden/Oder Dreyhudert Haus- und Tisch-Andachten (1666). Eén van die Andachten heeft als titel: ‘Von vier süßen Dingen’. Die vier dingen zijn:
  • het woord van God (in het bijzonder de tegenstelling ‘voedsel voor de ziel – voedsel voor het lichaam’) 
  • het kruis (‘hoe langer ik het draag, hoe lichter het wordt’) 
  • de dood (vooral gericht op het feit dat men niet bang hoeft te zijn voor de dood ‘in Christus is de dood geen dood, maar een deur naar leven’ ) 
  • de hemel (speciaal het verlangen naar de hemel ‘ ach, waren we maar daar!’) 
Clement werkt vervolgens gedetailleerd en met voorbeelden per duet de hypothese uit dat dit de onderliggende tekstinhoud van de vier duetten is. Aan het eind geeft hij nog de verklaring voor het begrip ‘duet’ en licht toe dat dit gegeven veel voorkomt bij Bach als dialoog tussen de (bedroefde) ziel en Christus. De vier duetten hebben dan betrekking op de liefdevolle relatie tussen de ziel en de vier grootheden Woord van God, kruis, dood en hemel. Clement geeft enkele voorbeelden van citaten uit het werk van Müller:
  • Je mehr man sich an Gottes Wort erlustigt / je begieriger wird die Seele. 
  • Das Creuz hat mich so lieb / es läst mich nicht. 
  • Mir ist der Tod so lieblich / daß ich mich nit satt dran sehen kan. 
  • Je kräfftiger wir die Süssigkeit deß Himmels schmäcken / je brünstiger ist das Verlangen in uns. 
Er wordt door Müller vaak gesproken van twee vrienden en verwezen naar het Hooglied. We weten dat Bach elementen uit het Hooglied ook vaak heeft uitgewerkt in duet-vorm, bijvoorbeeld in de cantate Ich hatte viel Bekümmernis (BWV21).

Getalssymboliek verder verkend 
Nadat ik dit alles had gelezen was ik toch ook nieuwsgierig geworden naar de opvattingen van Kees van Houten. Hij schreef samen met Marinus Kasbergen een boek over deze esoterische benadering van de werken van Bach: Bach en het getal. Beide auteurs behandelen in het boek ook de Clavierübung III. Ook zij kijken eerst naar de samenstelling en structuur van het totale werk en presenteren die als een cirkel. De spiegeling van de toonsoorten wordt daarmee goed inzichtelijk. De uitwerking daarna en de berekening vind ik persoonlijk erg speculatief.  Er wordt net zolang gerekend totdat o.a. het sterfjaar van Bach eruit naar voren komt. Misschien heb ik te weinig affiniteit met wiskunde om dit goed te willen begrijpen.

Conclusie:
Clement houdt het erop dat deze mogelijke achtergrond van de duetten een aannemelijke verklaring is in het licht van de samenstelling van het gehele werk Clavierübung III, de belangstelling van Bach voor het werk van Müller, en passend bij Bachs keuzes in de muzikale vormgeving van de Lutherse mystieke vroomheid. Met alles wat ik inmiddels heb bestudeerd over Luther en Bach deel ik zijn mening.

Geraadpleegde bronnen:
  • Albert Clement, Der dritte Teil der Clavierübung van Johann Sebastiaan Bach – Musik, Text, Theologie (Middelburg, 1999) 
  • T.H.M. Akerboom e.a., Bach en de theologie, een verkenning van geloof en gevoel (Nijmegen, 2001) 
  • Dr. M. Luther, Kleiner Katechismus mit Erklärung.
  • Kees van Houten en Marinus Kasbergen, Bach en het getal (Zutphen, 1985)

1 opmerking:

  1. U zou toch ook eens moeten lezen wat ik over de Duetten geschreven heb in mijn boek
    over het Dritter Theil der Clavier Übung (NB uit 1998!!).

    Met vriendelijke groet,

    Kees van Houten, Stapelen 64, 5281 EJ, Boxtel. www.keesvanhouten.nl

    BeantwoordenVerwijderen